Papa plakt de .......... van mijn fiets.
Mijn zusje heeft ........... haar.
Ik lees soms de ..............
Er hangen grote spinnen voor de ...........
Hij is van het dak .............
Op het strand loop je door het ................
Zet de stoelen maar op de ............
Iedereen was op zijn ...........
Je moet niet zo hard tegen de bal ..............
Ik heb wel dertig ............ bij me.
Ik krijg nog ........ van jou.
Er hangen grote ........... voor de ramen.
Hij zit me steeds uit te .............
Ik draag heel vaak ..............
Je mag daar ............ naar binnen.
Ik draag graag een warme .............. trui
In onze slaapkamer staan twee ...............
De kinderen ................. eindelijk.
Hij heeft een gaatje in zijn ..............
De kameel is ...............
Hij is tijdens de les in slaap ...............
Wil je ook een glaasje water .............
Ik zag drie ............ op de gang staan.
Ik heb gisteren op een ............. gereden.
Een ........... heeft twee slagtanden.
Wil je een spelletje met mij .................
De arme man ging vaak op ................
Ik lust wel een halve ..............
Ik koop een kilo ...............
In het riool leven heel wat ............