De kinderen staan naar elkaar te ...........
Ik ga eerst even mijn appeltje .........
Hij stond de hele tijd in de verte te .........
Kom je buiten ..........
Het kind stond hard te ..........
In de open haard mag je een vuurtje ..........
Ik ga eerst een gedichtje .............
De muis zat aan de koek te ........
De knikkers .............. over de vloer.
Morgen wil ik de les goed ............
Ik zou weleens ........... weten.
Het vliegtuig vloog hoog door de ..........
In de sloot zwom een echte ...............
In deze zin zitten zes ...........
Je moet niet zo met je voeten ............
Jij ........... als een eend.
Hij stond te ............ om naar het feest te gaan.
Hij zit de hele tijd chips te ............
Doe eens drie ............. naar voren.
Ik vind die ......... auto mooi.
Joep zwaaide met zijn ...........
Laat dat glas niet ............
Vind jij ............. een leuk spel?
Peter maakt een sierlijke .............
Ik vind ............. erg leuk.
Kees is een grote ...........
Hij gaat het spel ................
Ik weet de ............. weg.
Ik ga straks een stuk ............
We hebben veel ............. geoefend.