Het is .............. In de tuin is nu niet veel werk te doen.
De ................ staan de hele dag op de markt. Ze proberen zo veel mogelijk te verkopen.
Karina is jarig. Ze viert haar ............. verjaardag. Ze mag trakteren in de klas.
Als ze de ............... ziet, zet de poes een hoge rug op.
Vader heeft het erg druk. Met veel moeite timmert hij ............ tegen de muur.
Als je heel dichtbij woont, ga je natuurlijk ................... naar school.
Koos zit al een uur te vissen, maar hij krijgt geen beet. Als hij thuis komt vraagt zijn moeder: 'En, heb je wat gevangen?' Koos antwoordt ......................
Als je geen ongeluk wilt hebben, moet je de weg .................... oversteken.
In onze straat mag geen verkeer rijden. Daarom kun je er zo fijn ................
Doe de lampen aan. Het begint nu toch echt .......... te worden.
Je kunt wel zien dat het feest is vandaag, want ...............
In de wei lopen schapen met lammetjes. Kijk er lopen ook een koe met een kalfje en een paard met een ...............
Hoera, het is vakantie. Nu hoeven we zes weken niet.......
Tegen de berg opfietsen gaat erg moeilijk. Maar naar beneden ........
'Zul je nooit meer aan de verkeerde kant fietsen,' zegt de agent streng. 'Nee agent,' antwoordt Anneke, 'Ik zal voortaan altijd ...............
'Mag jij al op een brommer rijden?' vraagt Nick. 'Ik ben pas negen jaar,' zegt Henk, 'dan mag je toch nog niet ..............
'Ik vind rekenen een naar vak,' zegt Annie. 'Ik niet', zegt Loes. 'Ik vind rekenen juist ..................
Moeder doet de afwas. Vader helpt haar. Hij moet .......... en daarna in de kast zetten.
Moeder gaat 's morgens naar haar werk. Vader ook. De kinderen gaan naar school. Alleen Pietje, de kanarie, ................
Mijn oma heeft een mooie bonte deken op haar bed liggen. Die deken heeft dus .............