Tekst 1: Marjan zit in de klas. Ze moet een verhaal schrijven van de meester. Marjan vindt dat niet makkelijk. Ze denkt heel lang na. Eindelijk heeft ze een idee en ze begint te schrijven...... Paul, het zoontje van de boswachter werd om zeven uur wakker. De zon scheen door het raam van zijn slaapkamertje naar binnen. Hij wilde van deze dag genieten. Dus trok hij zijn kleren aan en ging naar beneden. Z'n vader was al wakker. Hij maakte het ontbijt klaar. Ze zeiden 'goedemorgen' tegen elkaar en begonnen te eten. Paul vroeg of hij mee mocht met zijn vader. De vader van Paul moest kijken of alles veilig was in het bos. Voor de mensen en voor de dieren. Vader knikte. Paul was erg blij. Vader nam zijn geweer mee om zieke dieren dood te schieten. Ze waren nog geen half uur in het bos of ze hoorden in de verte een zacht geluid. Paul wilde de kant oplopen waar het geluid vandaan kwam, maar vader hield hem tegen. Hij vertelde dat er best een stroper in het bos kon zijn. Vader vertelde ook dat stropers vallen maken en daarmee dieren vangen. Om ze dan later te verkopen.
Tekst 2: Marjan stopt even met schrijven. Hoe moet het verhaal nu verder gaan? Even denkt ze nog na. Dan weet ze hoe ze verder moet. En ze begint weer te schrijven..... 'Wees voorzichtig' zei vader. 'Overal kunnen vallen liggen.' Vader ging nu voorop lopen. De kant op waar het geluid vandaan kwam. Het geluid werd steeds sterker. Opeens wist Paul dat het een hond was die jankte. En ja hoor, het was een hond. Het hondje lag te janken op de grond. Hij zat met een poot in een val. Vader bevrijdde het dier en gaf het aan Paul. Toen liepen ze terug naar huis. Daar werd de dierenarts gebeld. Gelukkig was het hondje niet erg gewond. Na een paar weken liep het weer gezond door het huis. En de stropers? Die werden na een paar weken gepakt. Toen konden mensen en dieren weer veilig door het bos lopen. Marjan leest haar verhaal nog eens door. Hier en daar haalt ze er een foutje uit. En dan brengt ze het naar de meester. Zou hij een goed cijfer geven?
Lees eerst tekst 1.
Het verhaaltje wordt geschreven door ..........
een meneer
een mevrouw
een jongen
een meisje
Paul stond die morgen .................... op.
vroeg
langzaam
niet
laat
Het was die morgen mooi weer, want ..................
Paul stond vroeg op.
Het regende maar heel kort.
De zon scheen door het raam.
Paul mocht met vader mee.
Paul ging snel naar beneden, want........
hij wilde met zijn vader mee.
hij moest zich nog aankleden.
hij had geen trek in ontbijt.
hij wilde zien of het mooi weer was.
Paul kwam beneden. Het eerste wat hij zei was:...............
Wat is het mooi weer vandaag.
Is het ontbijt al klaar?
Goedemorgen papa.
Wat gaan we doen vandaag?
Waar was de moeder van Paul?
Ze was in de keueken.
Ze slipe nog.
Ze maakte ontbijt klaar.
Staat niet in het verhaal.
Vader knikte. Hij bedoelde ................
dat Paul vroeg op was.
dat Paul mee mocht.
dat Paul moest ontbijten.
dat hij weg moest.
..................... hoorden ze een zacht geluid.
Tegen de avond
Na uren lopen
Na een poosje
Tegen twaalf uur.
Wat doen stropers in het bos?
Stroop maken.
Dieren vangen.
Bomen planten.
Wandelen.
Paul wilde de kant oplopen waar het geluid vandaan kwam, maar zijn vader ...............
duwde hem de andere kant op.
schoot met zijn geweer.
hield hem tegen.
liep met hem in de val.
Lees eerst de tweede tekst.
Vader en Paul liepen voorzichtig op het geluid af. Ze waren bang dat ................
ze in een val zouden trappen.
ze het geluid niet meer zouden horen.
ze verkeerd zouden lopen.
ze te laat zouden komen.
Het geluid werd steeds sterker. Hoe kwam dat?
Er kwamen steeds honden bij.
Ze luisterden steeds beter.
Ze kwamen dichterbij.
De hond ging harder janken.
Opeens wist Paul dat het een hond was. Hoe wist hij dat?
Hij had het hondje al eerder gezien.
Hij zag het hondje al van ver liggen.
Hij hoorde het van de dierenarts.
Hij hoorde het aan het geluid.
................. het dier uit de val.
De stropers haalden
Paul haalde
Vader haalde
De dierenarts haalde
Het hondje was gelukkig niet erg gewond. Hoe weet je dat?
Na een paar weken liep het alweer gezond door het huis.
Na een paar weken kwam de dierenarts pas.
Na een paar weken kon het nog niet goed lopen.
Na een paar weken werden de stropers gepakt.
Wanneer kon iedereen weer veilig door het bos lopen?
Toen de stropers verhuisden.
Toen het bos afgesloten werd.
Toen de stropers gepakt waren.
Toen vader beter ging opletten.
Marjan leverde haar verhaal in. Ze zei: ...............
Kijk juf, mijn verhaal is af.
Ik ben klaar meester.
Ik moet het nog doorlezen.
Ik heb een goed cijfer.
Voordat Marjan haar verhaal inleverde, keek ze eerst even .............
of het wel af was.
of ze fouten had gemaakt.
of ze netjes geschreven had.
of het hondje genezen was.
Hoeveel fouten had Marjan gemaakt?
Heel veel.
Maar één.
Een paar.
Geen.
Marjan had vergeten boven haar verhaal een titel te schrijven. Welke titel kies jij?