In onze tuin staan rozen, dahlia's en andere ..........
Ook hebben we een vijver in de tuin. Daar hebben we planten en .............. in.
Als de zon schijnt, zitten we achter het huis. We drinken thee op het .............
En soms voetballen we op het ..........
Laatst hebben mijn broertje en ik de ........... opgezet.
Moeder vond het goed dat we die nacht in de tent gingen .............
Nou, die avond wilden we natuurlijk graag vroeg naar .............
We sliepen als rozen. We waren laat wakker. De zon stond al .............. aan de hemel.
En Hector maakte ons wakker met zijn .............
Slaperig kwamen we de ............... uit.
Eerst gingen we in huis. Moeder vond dat we ons moesten wassen. Dat deden we deze keer in de keuken en niet in de badkamer boven.
Toen we uit de tent kwamen, zei moeder:
We wassen ons bijna altijd ..........
Toen gingen we eten. Echt ontbijten was het niet. We aten een broodje uit de hand. Dat had moeder al voor ons klaargemaakt
Toen we ons gewassen hadden, .............. we een broodje.
Het was geen echt ontbijt, want ...................
De tent mocht die dag op het ......... blijven staan.
We speelden er de hele dag. We deden net of het .............. was. Het leek wel of we er woonden.
's Avonds werd het nog leuker. Donkere wolken pakten zich samen boven de tuin. ............... Dat vonden we erg gezellig.
Dikke .................. tikten op het tentzeil.
We deden een lampje aan, want in de tent werd het nu ook ..............
Als het mooi weer is, is het leuk om in de tent te spelen. Maar het is ook leuk als ..............