Er is een film op de .............
Is dat een appelboom? Nee, er zitten .............. aan.
In onze groep zitten vijftien jongens en ook vijftien ............
Kees zit in groep 4. Anne zit een groep hoger. Anne vindt het fijn in ..........
Het is zomer. De zon schijnt. Nu kun je fijn gaan ..........
Jaap gaat naar het circus. Daar ziet hij olifanten. En ook leeuwen, tijgers en andere ...........
Kun je elke avond snel in slaap komen? Of lig je wel eens ...........
De sloot is veel te breed. Je kunt er niet ............
Als je op die hoge toren staat kun je heel ver ...........
Die man loopt met een wandelstok. Hij is ..........
Moeder brengt Jaap naar bed. Morgen is hij jarig. ......... kan haast niet in slaap komen, zo blij is hij.
Poets je tanden elke dag. Het liefst drie keer. Dat is goed voor je ...........
Er wordt geklopt. De kinderen van de klas kijken gelijk naar ...........
Jammer dat het regent. Nu kunnen we niet gaan ..........
Jan en Miep hebben nieuwe kleren. Jan heeft een nieuwe broek en Miep een ...........
Er komt een trein aan. De bomen ............
Ik ben te laat. De bus is ..............
Er komt een vreemde man aan de deur. Onze hond begint te ...............
Het gras staat hoog. Je kunt wel zien dat het ............. is.
'Kijk goed uit', zegt vader. 'Ja hoor', zeggen de kinderen en ze ...........